Wat leren we van Samen voor Talent?

Boekfragment

Geert Sturtewagen

07 Dec 2018

Samen voor Talent was een project van Curando en Oranje tussen 2015 en 2017. Doelstelling was samenwerking met buurten op te zetten en hiervoor gebruik te maken van een gemeenschapsmunt. Gedurende 3 jaar werd hiermee ervaring opgedaan in verschillende experimenten, projecten en systemen vanuit 3 locaties: Brugge Binnenstad, Zedelgem en Sint-Kruis-Assebroek. Naar aanleiding van dit project werd het boek “Zorg als gemeengoed” gepubliceerd.

Wat kunnen we leren van Samen voor Talent? Hieronder volgt een gebalde versie van het hoofdstuk “Gemeenschapsmunt als middel en hefboom”. Het volledig boek kan je hier bestellen.

Gemeenschapsmunt als middel en hefboom

Een gemeenschapsmunt is een middel om mensen te verbinden. De munt creëert als het ware het midden waarrond mensen kunnen uitgenodigd worden om deel te nemen en te cocreëren. Je kan een gemeenschapsmunt in een project van cocreatie evenwel niet opleggen.

Door zelf een munt voor te stellen, nemen de burgers afstand. Doordat we de naam ervan niet opgelegd hadden, konden de buurtbewoners zelf een naam kiezen en werd het toch iets van hen. Sommigen beschouwden de ostie als een hebbeding en hingen het rond hun hals. Anderen zagen het als een geschenkje, waarmee je een kop koffie of een drankje kon krijgen. Maar al bij al bleef de ostie een vreemde entiteit. In een volgend experiment in Zedelgem hebben we dit anders aangepakt, meer horizontaal, om de gemeenschapsmunt uit de groep te laten komen.

Wederkerigheid en andere aspecten van gemeenschapsmunten

Een gemeenschapsmunt is ook een middel om ‘wederkerigheid’ te organiseren. Het onderscheid tussen liefdadigheid en wederkerigheid was een vertrekpunt voor het project. Liefdadigheid of caritas wordt daarbij gezien als een bron van ongelijkheid tussen gever en ontvanger, terwijl wederkerigheid een bron van gelijkwaardigheid of een herstel van de gelijkwaardigheid tussen gever en ontvanger zou betekenen.

In het kader van het project maakten we gaandeweg een onderscheid tussen verschillende soorten wederkerigheid. Zo heb je van oudsher de wederkerigheid als een een-op-een gebeuren tussen individuen. Hierbij gelden vaak strikte regels: een gift veroorzaakt de verplichting om iets terug te doen. Er is met andere woorden wel sprake van gelijkheid, maar niet van vrijheid. In Letssystemen wordt die een-op-een relatie opgeheven en vindt de vereffening haar beslag in een ruimer netwerk: als ik iets voor jou doe, herstel jij het evenwicht door iets voor een ander in het netwerk te doen. We spreken hier over meerkerigheid.

Het opzet en design van een munt als instrument voor wederkerigheid dient met aspecten van asymmetrie van informatie en macht rekening te houden. De andere aanpak in Zedelgem kwam voort uit deze inzichten. Daar maakten we in gezamenlijk overleg afspraken en beslisten we samen hoe de munt er zou uitzien. Bovendien liet een Facebookgroep ons toe om informatie voortdurend horizontaal te delen.

Naast deze aspecten van wederkerigheid leerde de latere ervaring in Zedelgem ons ook dat de munt nog andere functies kan hebben en dat we in onze taal een woord als ‘currency’ missen. Met de klavertjes (zo heet de munt in Zedelgem) gaat het immers niet over het monetariseren van prestaties, maar over het zichtbaar maken van wat gebeurt tussen mensen. Het netwerk en de stroom die ontstaan door voor elkaar iets te doen, worden zichtbaar. Vandaar, currency of current-see: de stroom zien.

“De buurt is een structuur die je niet kunt vastpakken. De buurt is niemands eigendom. Maar er is zoveel onderbenutte capaciteit die we zouden kunnen inzetten voor onvervulde behoeften. Hoe verbind je dat? In Brugge wilden we meteen starten met een gemeenschapsmunt, maar dat botste op reactie. Dat is een leerschool geweest. We moeten in de wereld van de buurt stappen en luisteren. Je eigen verhaal durven loslaten. Loslaten is niet eenvoudig, maar het is nodig om verbinding te maken.”
Geert Sturtewagen, Samen Voor Talent

Van eigenaarschap naar deelhouderschap

Een belangrijke valkuil, zo bleek uit het eerste experiment, is dat het eigenaarschap bij de organisatie komt te liggen en dus niet gedeeld wordt. Dit wilden we juist vermijden. Loslaten was daarom de boodschap. Is het trouwens wel correct om over eigenaarschap te spreken? Alsof er bij zorg iets te bezitten valt. Eigenlijk gaat het over delen en dus over mede-eigenaarschap. Om die dubbelzinnigheid op te heffen, willen we hier graag de term deelhouderschap als alternatief naar voren schuiven.

Diversiteit als vertrekpunt

Wanneer een ‘kwetsbare groep’ te sterk op de voorgrond treedt, kan dat het succesvol ontwikkelen van de hele groep in de weg staan. Dat merkten we toen we met cliënten van de dienst Dagbesteding van Oranje initiatieven ontplooiden in de Brugse binnenstad. Een te groot aandeel van mensen met een beperking in een gemeenschap, maakt van die gemeenschap al snel iets ‘voor mensen met een beperking’. Hetzelfde geldt voor andere kwetsbare groepen. Toen een aantal mensen met minder financiële middelen op de soepkeuken in het Bilkske afkwamen, leidde dat heel snel tot een wij/zij-denken, met de al eerder aangehaalde uitspraak ‘Ik behoor niet tot de doelgroep’ als gevolg.

Als de kwetsbare groep in een bepaalde gemeenschap te groot wordt, daalt evenredig de diversiteit. Verdunnend werken verhoogt de diversiteit en inclusie. Bovendien, vertrekken vanuit een zo groot mogelijke diversiteit, impliceert ook dat we allemaal kwetsbaar zijn en beperkingen hebben. Dat wat ons onderscheidt, is meteen ook dat wat ons bindt.