Beter na corona: ander geld

de Koevoet

12 Aug 2020

Koen Develter is leraar Nederlands en godsdienst met een bijzondere interesse voor complementaire munten. In dit artikel pleit hij voor een monetaire verandering. Inspiratie haalt hij uit het werk van de Belgische monetaire specialist Bernard Lietaer (1942 – 2019) die o.a. ‘Het geld van de toekomst’ schreef.

Een uitgebreide versie van dit artikel verscheen eerder in © ecologisch magazine de Koevoet, www.dialoog.be/dekoevoet.

Systeemoplossingen: complementaire munten

Het eigene aan complementaire munten is dat ze de twee hoofdkenmerken van de (wat ik dan noem) ‘harde valuta’s’ niet hebben: rente en geschapen door bankschuld. Een munt zonder rente is makkelijk voor te stellen, maar wie mag of kan dan geld uitgeven als het niet de bank is? Dat kan eender wie of wat zijn. In Vlaanderen kennen we bitter weinig complementaire munten. In Gent zijn er de Torekes en de Pluimen (de laatste jaren zien we een groei in het aantal projecten zoals in Mechelen, Sint-Niklaas, Roeselare en Lichtervelde, red.), maar beter bekend in ons land zijn de LETS-munten.

Pluimen uit Ledeberg

Beeld: Samenlevingsopbouw Gent

Local Exchange & Trading System (LETS) ontstond in Canada in 1983 toen de werkloosheid piekte in een bepaalde regio. Er was nog steeds veel werk (auto’s repareren, plantsoenen onderhouden, brood bakken enzovoort) maar de dollars waren schaars. Dus vond men de complementaire munt weer maar eens uit; zoals al vaker gebeurd was in tijden van crisis. Eén uur werk betekende een green dollar, ongeacht wat je in dat uur had gedaan. Deed John iets voor Lucy, Lucy iets voor Adam en Adam iets voor John, dan stonden ze alle drie weer op nul.

LETS werkt zoals de meeste complementaire munten via het systeem van wederzijdse kredieten. Jij doet iets voor mij, dus ik waardeer (betaal) jou. Maar als ik nieuw ben in het systeem, dan heb ik nog geen geld, dus moet ik onder nul gaan. Er ontstaat een schuld bij mij. Jij krijgt geld van mij, er ontstaat een tegoed bij jou. In mijn LETS-groep in Roeselare krijgen we bij inschrijving 1500 virtuele wieltjes (Roeselare profileert zich graag als fietsstad) en we kunnen niet onder nul gaan en niet boven 3000. Dat heeft het voordeel dat je dat vervelende gevoel niet hebt wanneer je onder nul gaat. Toch zijn wieltjes geen fiatgeld, het gemiddelde van alle LETS’ers in Roeselare is immers altijd 1500 wieltjes.

De boutade ‘geld is de bron van alle kwaad' is wel toepasselijk op ons geld, maar complementaire munten bouwen net de gemeenschap weer op!

Een belangrijk voordeel aan geld dat gebaseerd is op wederzijds krediet, is het gemeenschaps-stichtende aspect ervan. We weten allemaal dat ‘gewoon’ geld een ogenschijnlijk vredevolle familie uit elkaar kan drijven na een erfenis en Bernard Lietaer heeft met eigen ogen gezien dat een inheemse gemeenschap in Peru in één generatie uit elkaar viel toen de nationale munt er werd ingevoerd. De boutade ‘geld is de bron van alle kwaad' is dus wel toepasselijk op ons geld, maar complementaire munten bouwen net de gemeenschap weer op! Ze lijken immers meer op het uitwisselen van geschenken dan op het gewone geld (met rente).

Noodgeld

Complementaire munten zijn er wellicht altijd geweest. Zeker in tijden van crisis schieten ze als paddenstoelen uit de grond. Toen in Argentinië de Peso zijn waarde verloor, schakelden de Argentijnen over op de drie andere soorten munten: de dollar voor aankopen zoals nieuwe wagens, de provinciale munten voor transacties van enige omvang binnen de eigen provincie en de tientallen munten die uitgegeven werden door organisaties of zelfs privépersonen. Toen die laatste soort op zijn beurt veel geloofwaardigheid verloor – vanwege valsmunterij – schakelden ze weer over op de Peso. Die was ondertussen opnieuw betrouwbaar.

Beeld Freigeld

Beeld: http://heimat.woergl.at/verschiedenes/freigeld-woergl

In Oostenrijk was er in de jaren ’30 een stadje, Wörgl, dat zijn eigen ‘noodgeld’ uitgaf omdat de werkloosheid meer dan 10 % was en nog dreigde te stijgen. De weinige Oostenrijkse shillings die nog in de stadskas zaten, gebruikte men er als onderpand voor de eigen munt. De burgemeester moet een pientere man geweest zijn, want hij voorzag zijn geld van demurrage: negatieve rente om het met een lelijke term te zeggen. Op ieder briefje stonden twaalf vakjes en iedere maand moest op het betreffende vakje een zegel worden geplakt, anders verloor het briefje zijn waarde. De zegels kostten 1 % van de waarde van het briefje en het gevolg laat zich raden: mensen gaven hun geld snel uit, ze betaalden zelfs hun belastingen op voorhand! Het beoogde effect bleef niet uit: de economie kreeg een geweldige boost. Toen dit succesrecept werd gekopieerd, voelde de Nationale Bank van Oostenrijk nattigheid en verbood ze deze gedecentraliseerde munten. Werkloosheid was het gevolg.

Wenselijk gedrag

Lietaer stelt nog andere munten voor: munten die nog niet bestaan maar wel perfect te implementeren zijn.

De civic bijvoorbeeld: een stads- of gemeenschapsmunt die je kunt verdienen door wenselijk gedrag te stellen en die je moet gebruiken om een deel van je belastingen mee te betalen. Simpel in z’n eenvoud, toch? Elke stad of gemeenschap kan zelf bepalen wat wenselijk gedrag is en hoe ze haar inwoners beloont. Het zou voor mensen met tijd te veel een leuke aanvulling van hun inkomen zijn én hen een gevoel van waardigheid geven.

Onze economie is wel degelijk verzoenbaar met respect voor de natuur, we moeten alleen andere spelregels verzinnen voor ons geldsysteem.

Of de terra, een mondiale munt voor bedrijven. Een munt met een reële standaard. Lietaer denkt aan een korf bruikbare producten: een kg tarwe, een kg koffie of een liter aardolie. Bedrijven kunnen zo ontsnappen aan de kwelling van fluctuerende wisselkoersen en het gedoe van ruilhandel. Het ‘nadeel’ aan zijn terra is de demurrage. Iemand zou immers moeten worden betaald om de korf up-to-date te houden. Maar demurrage heeft het geweldige voordeel dat investeren op de lange termijn plots heel interessant wordt. Waarom zou je je geld houden als je er een bos mee kunt aanplanten dat op lange termijn opbrengt? Onze economie is dus wel degelijk verzoenbaar met respect voor de natuur, we moeten alleen andere spelregels verzinnen voor ons geldsysteem.

Taoïstische inspiratie

Lietaer wil de nationale munten (inclusief euro) helemaal niet afschaffen – alsof dat ooit zou lukken. Hij is een aanhanger van de yin-yangtheorie. In het taoïsme maakt men het onderscheid tussen yin en yang én beseft men dat beide facetten van het leven elkaar nodig hebben. Zonder elkaar zijn ze zelfs zelfvernietigend. Lietaer beschrijft de nationale munten als yang en de complementaire munten als yin. Wanneer Paul Verhaeghe in Knack van 8 april schrijft dat onze economie in de terminale fase zit, dan komt dat bijzonder goed overeen met het inzicht van Lietaer. Onze kapitalistische vrijmarkteconomie is immers competitief, hiërarchisch, lineair, centralistisch, gigantisch en dus extreem yang.

Als we de zelfdestructie van deze yangeconomie willen vermijden, dan zullen we moeten inzetten op een economie die circulair is, decentraal, de kleinschaligheid koestert, coöperatief is en dus yin. Het eigene aan Lietaer's inzicht is dat dat onmogelijk is zolang we het huidige yanggeld gebruiken. We moeten volgens hem dus complementaire munten gebruiken (yinmunten) en dan kan en zal er een heel andere dynamiek ontstaan in de maatschappij.

Integrale economie

Lietaer gaat van een heel realistisch mensbeeld uit: de ene mens haalt het beste uit zichzelf in een concurrerende omgeving, de andere in een werksituatie waar samenwerken de norm is en veel mensen zitten daar ergens tussen. In een samenleving met verschillende soorten munten (yin en yang) kunnen mensen dan kiezen in welk systeem ze (voornamelijk) willen werken (yin of yang). Dit noemt Lietaer een integrale economie, een economie waar iedereen tot bloei kan komen.

Beeld uit beleidsplan Muntuit

Beeld: Muntuit vzw, naar Lietaer

In zijn boek ‘Geld en duurzaamheid’ (2012) haalt Lietaer aan dat er tussen 1972 en 2012 maar liefst 425 monetaire crises zijn geweest in de wereld, tien per jaar dus. De oorzaak is volgens hem zonneklaar: de monocultuur van harde valuta’s. Het is natuurlijk geweldig efficiënt om maar één munt te hebben in je portefeuille, maar een monocultuur is nooit veerkrachtig. Efficiëntie is immers omgekeerd evenredig aan veerkracht. Duurzaamheid is dan het optimale midden tussen efficiëntie en veerkracht. Als we een duurzaam monetair systeem willen, dan zullen we een beetje efficiëntie moeten afstaan en wat veerkracht binnenhalen. Verschillende munten aannemen dus. Willen we van een competitieve, op groei gefocuste economie naar een economie die naar harmonie streeft binnen de grenzen van wat ons gegeven is; dan moeten we ons geldsysteem herzien en ruimte maken voor munten die het coöperatieve in onszelf aanspreken.